Door globalisatie worden samenlevingen steeds meer divers. Als gevolg daarvan groeien steeds meer kinderen op in huishoudens waar meerdere talen gesproken worden. Hoe je kinderen kunt opvoeden tot succesvolle tweetalige sprekers is al tientallen jaren een veelbesproken onderwerp onder onderzoekers, ouders en experts (Blom, 2012; Byers-Heinlein & Lew-Williams, 2013; Lanting et al., 2019; Lee et al., 2015). Binnen tweetalige gezinnen worden de talen vaak gemixt, met grote individuele verschillen tussen sprekers en gemeenschappen (Hoff & Core, 2015; Myers-Scotton, 2017; Yow et al., 2018). Het is gebruikelijk voor tweetalige ouders om hun talen te mixen wanneer ze met hun kinderen praten (Byers-Heinlein, 2013; Kremin et al., 2022; Ruan et al., 2023). Voorbeelden hiervan zijn wanneer een ouder twee zinnen achter elkaar in twee verschillende talen zegt (bijv. “Did you grab your coat? Het regent.”), of wanneer er voor één woord in de zin een andere taal wordt gebruikt (bijv. “Did you grab your jas?”).
Momenteel heerst er nog onduidelijkheid over hoe het mixen van talen zich verhoudt tot de taalontwikkeling van kinderen (Byers-Heinlein, 2013; Kremin et al., 2022; Paquette & Byers-Heinlein, 2025). Sommige ouders en professionals beschouwen het mixen van talen als ‘slecht’ wanneer er tegen kinderen gesproken wordt (Mata, 2023; Wilson, 2021). Er wordt daarom vaak aan ouders het advies gegeven om talen te scheiden (Blom et al., 2018; De Houwer, 2007). Dit advies komt voort uit de overtuiging dat talen beter zouden worden aangeleerd wanneer deze gescheiden blijven (Aronsson, 2020). Wetenschappelijk bewijs voor deze overtuiging is echter schaars.
Eerdere studies wijzen uit dat het mixen van talen door ouders mogelijk positief (Bail et al., 2015), negatief (Byers-Heinlein, 2013; Carbajal & Peperkamp, 2020), of niet gerelateerd is aan de taaluitkomsten van kinderen (Kaushanskaya & Crespo, 2019; Place & Hoff, 2011, 2016). We hebben geprobeerd om te achterhalen of de relatie tussen het mixen van talen door ouders en de taaluitkomsten van kinderen negatief, positief, of niet bestaand is bij 52 Pools-Nederlandse en Turks-Nederlandse kinderen tussen de 3 en 6 jaar oud (Verhoeven, van Witteloostuijn, et al., 2025). Voor de volledigheid, onderzochten we het mixen van talen tussen zinnen (inter-sententieel, bijv. “Wat wil je eten? Do you want fries?”), het mixen van talen binnen zinnen (intra-sententieel, bijv. “Wil je fries eten?”) en het totaal aantal gemixte uitingen (de som van intra- en inter-sententieel gemixte uitingen). Deze drie vormen van mixen werden gemeten via twee methodes: de Q-BEx vragenlijst (De Cat et al., 2025) en de LENA opnames (Greenwood et al., 2011). Betreft de taaluitkomsten van kinderen hebben we de receptieve en expressieve woordenschat gemeten in zowel de thuistaal van kinderen alsook in het Nederlands via de cross-linguistic lexical task (CLT; Haman et al., 2015). Verder hebben we gecontroleerd op variabelen waarvan bekend is dat deze gerelateerd zijn aan taalvaardigheid (bijvoorbeeld leeftijd, het opleidingsniveau van ouders, hoeveel ze de taal thuis hoorden).
De Q-BEx vragenlijst en de LENA opnames vonden in 14 van de 15 correlaties dezelfde relatie. Daarmee kunnen we constateren dat het gebruiken van verschillende methodes waarschijnlijk niet ten grondslag ligt aan de verschillende resultaten die gevonden waren door eerdere studies. Onze resultaten laten zien dat het mixen van talen voornamelijk ongerelateerd is aan de taaluitkomsten van kinderen. Er werd alleen een negatieve relatie gevonden tussen het totaal aantal gemixte uitingen en de expressieve woordenschat in de thuistaal van kinderen. We vermoeden dat de status van de thuistaal hier een rol in speelt. Tweetalige kinderen hebben namelijk vaak een voorkeur voor het spreken van de taal die hoofdzakelijk gesproken wordt in de maatschappij (i.e., de meerderheidstaal, zoals Nederlands in Nederland) wanneer zij de keuze krijgen (Hoff, 2018). Wanneer ouders de talen mixen, laten ze daarmee zien aan hun kind dat ze (ook) vaardig zijn in het Nederlands. Het kind kan dan sneller geneigd zijn om Nederlands terug te praten. Dit zorgt ervoor dat het kind minder in de thuistaal zal spreken. Gezien het produceren van taal bijdraagt aan de taalontwikkeling van kinderen (i.e., de output hypothese; Swain, 2005), kan dit leiden tot lagere woordenschatscores in de thuistaal van kinderen.
Omdat resultaten van de ene tweetalige populatie niet noodzakelijk te generaliseren zijn naar de andere tweetalige populaties, is het belangrijk om onze resultaten samen te nemen met studies die andere populaties hebben onderzocht. Door middel van een systematisch literatuuronderzoek hebben we zes studies gevonden die ook de relatie tussen het mixen van talen door ouders en de taalontwikkeling van kinderen hebben onderzocht (Bail et al., 2015; Byers-Heinlein, 2013; Carbajal & Peperkamp, 2020; Kaushanskaya & Crespo, 2019; Place & Hoff, 2011, 2016). Doordat de zeven studies van elkaar verschilden qua context (i.e., participanten, leeftijd, en welke talen er werden gesproken) en design (i.e., instrumenten, onderzoeksvragen, en analyses), was het niet mogelijk om een conventionele meta-analyse uit te voeren. We hebben het bewijs van elke studie voor een positieve, negatieve, of geen relatie tussen het mixen van talen en de woordenschat van kinderen samengevoegd door middel van de nieuwe GORIC evidence synthesis methode (Kuiper & Clapper, 2025). De cumulatieve resultaten laten zien dat het mixen van talen niet gerelateerd is aan de expressieve woordenschat van kinderen in de thuistaal en de meerderheidstaal, noch aan de receptieve woordenschat van kinderen in de thuistaal (Verhoeven, Oudgenoeg-Paz, van Witteloostuijn, Blom, et al., 2025). We vonden een kleine negatieve relatie tussen het mixen van talen en de receptieve woordenschat van kinderen in de meerderheidstaal. Over het algemeen laten onze resultaten dus zien dat het mixen van talen grotendeels ongerelateerd is aan de taaluitkomsten van tweetalige kinderen. Dit betekent dat het mixen van talen door ouders de kwantiteit en kwaliteit van de taalinput niet dermate beïnvloedt dat het de relatie tussen taalinput en de taaluitkomsten van kinderen verandert. Daarmee levert dit proefschrift wetenschappelijk bewijs dat het huidige advies om de talen te scheiden niet gegrond is.
