Lisanne Plutschouw en Eveline Elferink werken als lerarenopleiders taal en onderzoekers bij het lectoraat Kritisch Burgerschap & Social Justice en het lectoraat Jonge Kind. In deze rubriek delen zij verhalen uit de onderwijspraktijk. Dit keer geeft Eveline een inkijkje in hoe studenten leren kijken naar de ontwikkeling van jonge kinderen en hun onderwijs afstemmen op de behoeften van de groep.
Op een basisschool in de buurt van onze lerarenopleiding zitten vijfentwintig kleuters op hun stoeltjes in een kring. Hun ogen zijn gericht op het digibord, waarop een plaatje uit het prentenboek is te zien. Randy, een van onze deeltijdstudenten, zit op de stoel van de leerkracht en leest een prentenboek voor. Zo nu en dan wijst hij naar de illustraties, kijkt de klas rond en controleert of de kinderen het verhaal nog kunnen volgen. Na een tijdje slaat hij het boek dicht en vraagt hij: “Wat denken jullie, wat wil het aapje vertellen?”
De kinderen overleggen in tweetallen en in een taal naar keuze. Een meisje buigt zich naar een jongen naast haar en fluistert: “Bence maymunun doğum günü.” De jongen naast haar knikt en steekt meteen zijn vinger op: “Ik en Arsu denken dat het aapje jarig is.” Randy knikt en herhaalt: “Arsu en jij denken dat het aapje jarig is.” Hij richt zich tot het meisje naast hem: “Maryam, denk jij dat ook?” Randy gaat het rijtje af en bouwt voort op wat er gezegd is. Hij geeft bedenktijd, luistert naar de antwoorden, herhaalt, herformuleert, breidt uit en moedigt aan.
Randy loopt inmiddels drie maanden stage in de onderbouw. In het tweede jaar maken onze pabo-studenten kennis met het onderwijs aan jonge kinderen. Voordat studenten aan hun stage beginnen, hebben velen van hen nog geen duidelijk beeld van het werken in de onderbouw. Studenten denken soms dat een kleuterleerkracht wat klapt en knutselt en zingt. Dat beeld strookt totaal niet met de werkelijkheid. Onderwijs aan jonge kinderen blijkt behoorlijk uitdagend: hoe houd je dertig kinderen geboeid? Hoe prikkel je hun nieuwsgierigheid? Hoe zorg je dat ook alle kinderen goed mee kunnen doen op school?
Jonge kinderen ontwikkelen zich snel, maar niet lineair of gelijkmatig: ieder kind volgt een eigen tempo, maakt sprongen vooruit of valt soms tijdelijk terug. Deze variatie, gecombineerd met de grote diversiteit binnen de klas, maakt het onderwijs aan jonge kinderen niet alleen uitdagend, maar ook complex. In en rond Amsterdam, waar het merendeel van onze studenten stageloopt, weerspiegelen leerlingpopulaties de diversiteit van de samenleving. Kinderen die op vierjarige leeftijd op de basisschool beginnen, brengen uiteenlopende kennis en ervaringen met zich mee. Ze groeien op in verschillende omgevingen en verschillen onder andere in taalvaardigheid en in hun vertrouwdheid met een schoolse leeromgeving. Die diversiteit is ook voor een startende leerkracht snel zichtbaar en hoorbaar op school.
Zo merkte Randy, toen hij op zijn eerste stagedag een boek voorlas, hoe verschillend de kinderen reageerden. Een deel van de kinderen luisterde geboeid, maar andere kinderen dwaalden af, omdat ze het verhaal niet konden volgen. Ook toen hij de kinderen vragen stelde, vielen de verschillen op: het ene kind sprak in samengestelde zinnen, terwijl een ander naar woorden bleef zoeken. Weer andere kinderen bleven stil, waren niet goed verstaanbaar of gaven antwoord in een andere taal.
Tijdens de colleges praten we met studenten over hun observaties en ervaringen op stage. Het wordt studenten snel duidelijk hoe fundamenteel mondelinge taalvaardigheid is voor een succesvolle start op school. Kinderen hebben taal nodig om kennis op te doen, sociale relaties aan te gaan en om deel te nemen aan het onderwijs. Om studenten op hun baan voor te bereiden, reiken we hen observatie-instrumenten aan waarmee ze de taalontwikkeling leren volgen. Ze moeten kunnen inschatten of een kind zich ontwikkelt volgens verwachting en wanneer er ondersteuning nodig is. Bij meertalige leerlingen blijkt dit vaak complex. Hun beheersing van het Nederlands is soms nog beperkt, waardoor het soms moeilijk is om in te schatten over welke kennis en vaardigheden een kind beschikt. We moedigen studenten daarom aan om ook buiten het klaslokaal te kijken. Door in gesprek te gaan met ouders, collega’s en bijvoorbeeld logopedisten kan een completer beeld van de ontwikkeling ontstaan
Aan het einde van de stageperiode laten studenten zien waar hun onderzoek en praktijkervaring toe heeft geleid. Vandaag bekijken studenten elkaars video-opnames. Ze laten zien hoe ze tijdens hun stage de taalontwikkeling van kinderen hebben gestimuleerd. Ze schetsen eerst de context en lichten hun pedagogische en vakdidactische keuzes dan toe. We zien op de video’s gelukkig dat de talige diversiteit wordt benut en gewaardeerd. We moedigen dit al jaren aan, maar zien het in de praktijk nog niet vaak terug. Daar komt langzaam maar zeker toch enigszins verandering in.
Randy vertelt hoe het gebruik van thuistalen zijn kinderen hielp het prentenboek te begrijpen. Waar kinderen eerst wat voor zich uitstaarden, deden ze nu allemaal enthousiast mee. Een andere student vertelt hoe ze familieleden van kinderen had uitgenodigd. Op haar video zien we een paar ouders voorlezen en horen we verhalen in Twi, Papiaments en Portugees. De studente licht toe wat deze activiteit volgens haar heeft opgeleverd: de kinderen gebruikten meer taal en waren trots en gemotiveerd. Een aantal ouders had ook thuis het boekje nog eens voorgelezen. Ook werd er nog lange tijd nagepraat over de ervaring en het verhaal.
We weten dat kinderen meer van onderwijs profiteren wanneer het aanbod op school goed aansluit bij wat kinderen thuis ervaren en leren. Door samen te werken met ouders kan een eventuele kloof tussen thuis en school worden overbrugd. Ouderbetrokkenheid zorgt voor continuïteit en heeft positieve effecten op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Het is een belangrijke voorspeller voor het succes van kinderen op school.
In Nederland kunnen scholen grotendeels zelf bepalen hoe en of zij ouders bij het onderwijs betrekken. Binnen het lectoraat Jonge Kind onderzoeken we hoe op verschillende scholen in Amsterdam met ouders wordt samengewerkt en onder welke voorwaarden deze samenwerking effectief kan zijn. Binnenkort hopen we de resultaten met onze studenten te delen. Voor aanstaande leerkrachten is het belangrijk inzicht te krijgen in hoe de ontwikkeling van kinderen, zowel op school als daarbuiten, kan worden gestimuleerd. De eerste resultaten bevestigen iets wat we eigenlijk al wisten: de expertise van de leerkracht is belangrijk, maar… it takes a village to raise a child.
