Elise de Bree

Elise de Bree

Universitair Hoofddocent Universiteit van Amsterdam

Photo (header) by Bùi Thanh Tâm on Unsplash

In 2002 begon ik aan mijn promotietraject naar de vroege fonologische ontwikkeling van kinderen met een familiair risico op dyslexie (kinderen met ten minste één dyslectische ouder), en kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS).

TOS en dyslexie werden vaak apart van elkaar onderzocht. Dat kwam door het moment waarop de diagose gesteld kan worden en door de steller van de diagnose: een taalontwikkelingsstoornisdiagnose kan relatief vroeg worden gemaakt door een logopedist of klinisch linguïst, terwijl dyslexie pas vanaf half groep 4 door een orthopedagoog of psycholoog gediagnosticeerd kan worden. Die gescheiden werelden leidden tot verwarrende termen: de term ‘fonologie’ betekende bijvoorbeeld bij dyslexie fonologisch bewustzijn en rapid automatized naming, terwijl fonologie binnen de TOS-literatuur verwees naar foneem- en lettergreepverwerving.

Same or different?
In 2004 verscheen het artikel van Bishop en Snowling: ‘Developmental dyslexia and Specific Language Impairment: Same or different?’ Bishop en Snowling stelden een model voor over de relatie tussen TOS en dyslexie (en zwakke begrijpend lezers). Zij hielden twee talige assen aan: fonologie en niet-fonologische taal (semantiek en syntaxis, zie figuur 1). Die assen zijn continue verdeeld, dus geven een distributie aan van heel goed naar heel zwak. Kinderen met goede fonologische en niet-fonologische taal zijn kinderen zonder taal- of lees-/spellingsstoornis; kinderen met een stoornis in zowel de fonologie als de niet-fonologische taal hebben een TOS; kinderen met alleen een fonologische stoornis hebben dyslexie; kinderen met alleen een niet-fonologische stoornis zijn zwakke begrijpend lezers.

Copyright: Snowling & Bishop (2004)

Door het artikel zetten Bishop en Snowling de relatie tussen TOS en dyslexie internationaal op de kaart en boden ze een leidraad voor onderzoek naar de twee groepen en naar stoornissen in het algemeen. Tussen 2004 en 2019 is er veel veranderd. De benadering van een stoornis als multifactorieel bepaald, is gemeengoed geworden. Dat betekent dat wordt aangenomen dat er niet maar één onderliggende oorzaak is voor een stoornis, maar dat een veelvoud aan risicofactoren bestaat die tot een stoornis als TOS of dyslexie kunnen leiden.

Terminologie
Daarnaast is er veel veranderd voor TOS: De discussie over de geschikte term voor taalontwikkelingsstoornissen heeft terminologieverschuivingen opgeleverd, zowel in het Engels (Specific Language Impairment naar Developmental Language Disorder) als in het Nederlands (ESM naar TOS). Die discussie en bijbehorende campagnes hebben geleid tot meer erkenning voor TOS. Dat zijn positieve ontwikkelingen die zeker ook mede door Bishop en Snowling tot stand zijn gekomen.

Op het gebied van dyslexie wordt er nog steeds gediscussieerd over de definitie van de stoornis en over de rol van fonologie en woordenschat binnen de stoornis. De erkenning voor dyslexie was er al, maar in de afgelopen jaren is het beeld ontstaan dat iedereen maar dyslexie heeft en dat het een manier is om makkelijker het onderwijs door te komen. Dat is geen goede ontwikkeling.

Wetenschappelijke inzichten
Het wetenschappelijke onderzoek heeft laten zien dat TOS en dyslexie anders zijn, ook al zijn er gedeelde risicofactoren. Een verschil in de diagnostiek dat meer aandacht verdient is hoe het komt dat veel van de kinderen met TOS een meertalige achtergrond hebben, terwijl dat in het geval van dyslexie slechts om een zeer beperkt percentage gaat.

Het is niet zo dat het model van Bishop en Snowling hét antwoord heeft opgeleverd over de relatie tussen TOS en dyslexie. Er is best wat op het model af te dingen. Zo is het concept fonologie niet helder in het model. De data van mijn promotie-onderzoek lieten zien dat het belangrijk is om goed te kijken naar wat er gemeten wordt aan fonologie: klanken, klemtoon, ‘regels’ of fonologische verwerking, fonologisch bewustzijn of Rapid Automatized Naming (RAN). Een ander punt is dat volgens het model álle kinderen met een TOS ook dyslexie zouden hebben. Dit geldt wel voor een aanzienlijk deel van de kinderen met TOS, maar zeker niet voor allemaal.

Het model heeft de wetenschap zeker verder gebracht, omdat het nu gangbaarder is om bij zowel TOS als dyslexie verschillende vaardigheden te bekijken, zowel linguïstische als bredere cognitieve vaardigheden, om zo het profiel van sterktes en zwaktes (risicofactoren) in kaart te kunnen brengen. Wat ik vooral heel belangrijk vind is dat het artikel heeft bijgedragen aan de toename van kennis en bewustzijn van TOS.