image_pdfDownload PDF

Chantal Mülders schreef als gastredacteur een inhoudelijke samenvatting over de lezingen binnen tweedetaalverwerving. Hieronder een verkorte versie van haar samenvatting, de volledige versie is hier te lezen.

Spreken is zilver, zwijgen is goud. Dit was noodgedwongen mijn motto tijdens het WAP-symposium: Verschillend Taalvaardig, want mijn stem had besloten om elke medewerking te weigeren. Maar wie niets kan zeggen, luistert des te beter en het symposium bood een scala aan experts dat ieders aandacht meer dan waard was. In de centrale Openbare Bibliotheek in Amsterdam lag de nadruk op het positief benaderen van verschillen in taalvaardigheid. Mijn keus was gevallen op de stroming tweedetaalverwerving en de samenhang tussen de keynotes en parallelsessies uitte zich in drie subthema’s van taalvaardigheid: taalontwikkelingsstoornis (TOS), omgaan met nieuwkomers en vreemdetaalverwerving.

Taalontwikkelingsstoornis (TOS)

De eerste keynote en de eerste parallelsessie behandelden tweetaligheid in combinatie met TOS. Dr. Elma Blom gaf een inleidende keynote (lees hier verder over keynote van dr. Blom) en dr. Elena Tribushinina sprak over onderzoek in Rusland. Tribushinina behandelde TOS in relatie tot vreemdetaalverwerving. Over het algemeen geldt: hoe eerder je een tweede taal leert, hoe beter (Johnson en Newport, 1989), maar dit geldt met name wanneer je thuis of op school opgroeit met je tweede taal (immersion setting). Wanneer je een tweede taal leert met 2-3 lesuurtjes per week of wanneer je een taalprobleem hebt, geldt dit niet. Voor TOS zijn twee scenario’s mogelijk: (1) kinderen met TOS kunnen beter vroeg starten met het leren van een tweede taal omdat ze meer tijd nodig hebben om taal te leren of (2) ze kunnen beter later starten zodat ze hun moedertaal goed ontwikkelen. De pilot met drie klassen (jong + TOS vs. ouder + TOS vs. normale ontwikkeling) die 2-3 lesuren aan Engels volgden, toonde aan dat Russische kinderen met TOS die Engels leerden een achterstand hadden in beide talen. Tribushinina vond geen effect voor de startleeftijd.

Omgaan met nieuwkomers

De tweede parallelle sessie (dr. Jordi Casteleyn) en de tweede plenaire lezing (dr. Maaike Hajer) behandelden het thema meertaligheid vanuit het perspectief van nieuwkomers: mensen die uit hun eigen land weggaan, al dan niet uit vrije wil, en die een nieuw leven elders opbouwen. Beide sprekers beschreven de bredere opzet en structuur van het NT2-onderwijs (NT2: Nederlands als tweede taal).

Dr. Jordi Casteleyn behandelde drie thema’s: het belang van NT2, de complexiteit van NT2-onderzoek en de afwegingen daarbij. Voor het eerste thema verwees hij naar de onderwijsvisie van de Taalunie (Vanhooren, Pereira & Bolhuis, 2017) die het belang van NT2-onderwijs onderstreept vanwege de huidige migratiestromen, digitalisering en de lerende samenleving. NT2-onderwijs is echter lastig om te onderzoeken, zo stelde Casteleyn, omdat zoveel factoren een rol spelen bij succesvolle taalontwikkeling: leeftijd, L1-achtergrond, niveau. Net als Tribushinina benadrukt hij dat 2-3 lesuren per week onvoldoende is om taal te ontwikkelen. Casteleyn stelt dat besef van het probleem de eerste stap is naar verdere samenwerking om te kijken welke methodiek het beste toegepast kan worden en dit vervolgens met elkaar te delen. In Vlaanderen is hiervoor het Platform NT2020 opgericht met alle verstrekkers van NT2-onderwijs (scholen, gemeenten, particulieren etc.) en drie universiteiten om professionalisering te bereiken.

Dr. Maaike Hajer haakte mooi aan bij de lezing van Casteleyn met haar pleidooi voor de gewenste organisatie van NT2-onderwijs. Hajer stelde voor een integratiemodel te gebruiken naar Zweeds voorbeeld, met een ontwikkeling van Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) naar Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT). Momenteel is er in Nederland een sterke scheiding tussen NT2- en regulier onderwijs: leerlingen starten in een aparte schakelklas en maken dan de overstap. In Zweden wordt een geleidelijker model toegepast waarbij leerlingen beginnen op DAT-niveau en de reguliere L2 spreektaal gebruiken. Daarna verschuift de nadruk steeds meer naar CAT, een formeler schooltaal- of academisch niveau. Hajer pleitte voor een onderhouden, professioneel beleidsterrein wat NT2-zaken betreft.

Vreemdetaalverwerving

De laatste twee parallelsessies gaan over het thema vreemdetaalverwerving, waarbij Rianne van den Berghe het nieuwe onderwerp sociale robots belichtte. Judith Rispens besprak het ORWELL project.

Vijftien jaar geleden, bij het testen van een 9292 informatiesysteem, leidde mijn zuidelijke tongval tot problemen bij station Warffum, maar inmiddels zijn spraakherkenners gemeengoed geworden, zoals Siri van Apple en de Amazon Echo smarthome-assistent die in de VS al uitermate populair is. Door mijn gebrek aan stem had ik na het symposium de Ava app gedownload die mijn getypte zinnen uit kon spreken. Hoewel deze taaltechnologische ontwikkelingen de afgelopen jaren dus een enorme vlucht hebben genomen, is een robot een ander verhaal. Van den Berghe stelde dat mensen hoge verwachtingen hebben van robots, maar schijn bedriegt. De L2TOR (el tutor) waarmee zij werkt, kan gebaren, meerdere talen spreken en verschillende rollen aannemen (zie ook Belpaeme et al., 2015). De lijst van wat de robot niet kan is echter veel langer. Zo werkt Siri best goed als ik mijn mails aan haar dicteer, maar spraakherkenning functioneert slecht bij jonge kinderen. Ook kan een robot nog helemaal niet zelfstandig beslissingen nemen: alles moet vooraf geprogrammeerd worden, terwijl kinderen uiteraard op onvoorspelbare manieren reageren. Hoewel een robot juist beter zou moeten werken in een fysieke omgeving in vergelijking met een computer of tablet, is stabiliteit een groot probleem, net als de herkenning en manipulatie van objecten. Van den Berghe stelde dat positieve leereffecten uit eerder onderzoek veroorzaakt kunnen worden door de specifieke mens-robot-interactie, maar ook door de algehele nieuwigheid. Van den Berghe beaamde dat nog veel technische vooruitgang benodigd is. Ze stelde de aanwezigen wel gerust: zelfs dan is een robot een aanvulling op een menselijke leraar, geen vervanging (lees hier het interview met Rianne).

Dr. Judith Rispens besprak het ORWELL project, dat als doel heeft om talige voorspellers te vinden voor Nederlandse basisschoolleerlingen die Engels leren. De deelnemers waren ca. 300 kinderen uit groep 6, 7 en 8 en een breed scala aan talige en niet-talige variabelen werd getest. Voorspellend voor zinsbegrip in het Engels bleken Engelse woordenschat en ervaring met het Engels, terwijl Nederlandse woordenschat geen voorspeller was. Productie van Engels werd voorspeld door ervaring en woordenschat van zowel Nederlands als Engels, terwijl grammatica niet significant was, mogelijk door de afwijkende woordvolgordes. Er werd geen effect gevonden voor een vroege start, wat ook hier samenhing met het beperkte aantal lesuren per week (zie ook de lezing van Tribushinina). Ervaring met het Engels buiten de school had veel meer invloed; ik vermoed dat de reden hiervoor is dat het aantal uren blootstelling aan de taal dan pas echt groeit. Hoewel ouders dus graag zien dat kinderen jong beginnen met een tweede taal, is de intensiteit meestal te laag om een verschil te maken.

Figuur 1. Het dubbele-ijsbergmodel uit 1981 zoals gepreseanteerd in Cummins & Swain (2014).

Conclusie

De sprekers tijdens het symposium Verschillend Taalvaardig zijn allemaal te plaatsen aan de hand van het klassieke dubbele-ijsbergmodel van Cummins in Figuur 1. Dit model stelt dat L1 en L2 verbonden zijn door gezamenlijke, onderliggende vaardigheden (Common Underlying Proficiency, CUP).

Met hun bespreking van tweedetaalverwerving bij kinderen met TOS gingen Blom en Tribushinina in op de effecten van die onderliggende vaardigheid, die in dat geval dus verstoord zijn. Blom besprak onderzoek dat de effecten van CUP en meertaligheid uit elkaar probeerde te halen: welke taalproblemen werden veroorzaakt door TOS, welke niet en hadden de kinderen voordeel van bepaalde vaardigheden die ze al via hun L1 verworven hadden? Tribushinina vond net als Blom dat de L2 woordenschat lijdt als de CUP beperkt is in een kind met TOS.

De inzichten van Casteleyn en Hajer richten zich meer op de L2 kant van de ijsberg, maar de vele taalachtergronden (L1) en niveaus (CUP) van de nieuwkomers maken onderzoek complex. Volgens Casteleyn moeten we ons hier niet door laten ontmoedigen, want de recente migratie noodzaakt ons om hen een goede plek te geven in hun nieuwe omgeving, waarbij taal een noodzakelijke voorwaarde is. Hajer besprak hoe de L1 in Zweden ingezet wordt bij de verwerving van L2 door ondersteuning in de L1 te bieden en een geleidelijkere overgang van eenvoudige aspecten in de L2 (DAT) naar de complexere vaardigheden (CAT).

De sessies over vreemdetaalverwerving passen ook bij de L2 top van de ijsberg. Van den Berghe sloeg hierbij een nieuwe weg in, want het is nog uitermate onduidelijk hoe een robot zou kunnen helpen en welke invloed mens-machine-interactie heeft op CUP. Het ORWELL project dat Rispens behandelde, past wel weer volledig in dit model, omdat zowel L1 als L2 en CUP variabelen zijn meegenomen in de zoektocht naar voorspellers voor tweedetaalverwerving.

De auteur

Chantal Mülders

Chantal Mülders studeerde Taalwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze werkte daarna vier jaar in China als docent Engels aan een lokale universiteit. Momenteel is ze kerndocent Engels aan de Hogeschool Rotterdam en studeert ze in april 2018 af voor een tweede Master in Onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit.

Referenties

Belpaeme, T., Kennedy, J., Baxter, P., Vogt P., Krahmer, E. E. J., Kopp, S., Bergmann, K., Leseman, P.

Küntay, A. C., Göksun, T., Pandey, A. K., Gelin, R., Koudelkova, P., & Deblieck, T. (2015). L2TOR – Second language tutoring using social robots. Paper presented at 1st International Workshop on Educational Robots, Paris, France.

Cummins, J. & Swain, M. (2014). Bilingualism in education. New York, NY: Routledge.

Johnson, J. S., & Newport, E. L. (1989). Critical period effects in second language learning: The influence of maturational state on the acquisition of English as a second language. Cognitive Psychology, 21, 60-99.

Vanhooren, S., Pereira, C., & Bolhuis, M. (2017). Iedereen taalcompetent! Visie op de rol, de positie en de inhoud van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw. Den Haag: Algemeen Secretariaat Nederlandse Taalunie.