Keynotespreakers

Abstracts keynotespreakers

  • Vitória Piai (Radboud Universiteit) –  As we speak
    Het produceren van woorden omvat niet alleen het voorbereiden en uitvoeren van een articulatorisch programma, maar ook het ophalen van conceptuele en lexicale informatie uit het langetermijngeheugen en de controleprocessen die horen bij selectie en ‘monitoring’ (van de doelwoorden). Tijdens deze lezing zal ik ingaan op hoe ik taalproductie bestudeer in relatie tot de domeinen van geheugen en executief functioneren, waarbij ik gebruik maak van gedragstechnieken, neuropsychologische technieken en neuroimaging. Ik zal studies presenteren die gebruik maken van electrofysiologie; een techniek die neurale activiteit in beeld brengt met een tijdsresolutie die nodig is om taalprocessen op de voet te kunnen volgen. Ik zal ook laten zien hoe deze aanpak me in staat stelt om te onderzoeken hoe het brein een reorganisatie doormaakt na verstoring van normaal functioneren (bijv. na een infarct of tumor). Daarnaast zal ik onderzoek laten zien (van mezelf en van anderen) dat aangeeft dat het sprekende brein meer omvat dan de klassieke gebieden van Broca en Wernicke.

 

  • Ellen Gerrits (Universiteit Utrecht) – De rol van IQ bij taalontwikkelingsstoornissen
    Voor de diagnose taalontwikkelingsstoornis worden nog vaak strikte intelligentiecriteria gehanteerd zoals een nietverbaal intelligentiequotiënt hoger dan 85 (gemiddeld). Hierop volgend wordt een tweede criterium toegepast, het zogenaamde ‘cognitive referencing’. Cognitive referencing betekent dat het algemeen leervermogen wordt vergeleken met de taalvaardigheid van het kind. Alleen wanneer de nietverbale intelligentie significant hoger is, is interventie geïndiceerd. Er is echter discussie over de klinische relevantie van dergelijke criteria voor de diagnose en voor indicatie voor zorg en onderwijsondersteuning. In deze lezing wordt ingegaan op dit debat en wordt beargumenteerd waarom het wordt afgeraden bij taalontwikkelingsstoornissen.

 

  • Jelle Jolles (Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit Maastricht) – Taal, denken en het brein van de adolescent
    Het brein is ‘werk in uitvoering’ tot ver na het 20e jaar. Prikkels uit de omgeving zijn van groot belang voor de vorming van complexe hersen-netwerken, en daarmee voor de hersenrijping. Kind en jongere doen ervaringen op: ze ontvangen feedback en krijgen kennis en inzichten. Door de zintuiglijke prikkels en de sociale en emotionele informatie die de omgeving ze verschaft, veranderen ze gedrag en cognitie. Dat betekent dat ‘Context shapes the brain’. Talige informatie is hierin van groot belang; taal geeft controle over de wereld en taal is ook ‘het voertuig van ons denken’. Vooral vanaf de pre-adolescentie (circa 8 jaar) verbreden en verdiepen de taalvaardigheden zich. Ze verruimen de mogelijkheid voor de jongere om zich uit te drukken, en te gaan redeneren en denken. Hoe goed dat gaat, is wél erg afhankelijk van de input vanuit de omgeving. Er bestaan grote individuele verschillen tussen kinderen en jeugdigen en deze worden sterk beïnvloed door een rijk dan wel schraal taalaanbod vanuit ouders, school, buurt en leeftijdsgenoten. Deze bepalen daarom hoe goed kind en jeugdige gebruik kunnen maken van taal • om zijn intenties uit te drukken, • om de emoties en bedoelingen van anderen te kunnen begrijpen, • om logisch te kunnen redeneren, • om te kunnen argumenteren • om abstract te kunnen denken. Voorliggende presentatie gaat in op taal en denken vanuit een neuropsychologische invalshoek en op aanwijzingen dat de hersenrijping kan vertragen dan wel versnellen aan de hand van dit taalaanbod. Ingegaan wordt op mogelijke interventies (en de verdere ontwikkeling daarvan) met een nadruk op pre-adolescent en adolescent.