Menu

Symposia

Extra






Programma Taal op school

WAP symposium - 8 oktober 2010 - Universiteitstheater UvA

09:00 - 09:30 Registratie & koffie
09:30 - 10:15 Spreker 1: Folkert Kuiken
10:15 - 11:00 Spreker 2: Meinou de Vries
11:00 - 11:30 Koffiepauze
11:30 - 12:15 Spreker 3: Paul Leseman
12:15 - 13:00 Spreker 4: Martine Gijsel
13:00 - 14:30 Lunch & posterpresentaties
14:30 - 15:15 Spreker 5: Hilde Hacquebord
15:15 - 16:00 Spreker 6: Lotte Henrichs
16:00 - 16:15 Posterprijs
16:15 Borrel

Comments Off

---------------------------------------------------

Abstracts Taal op school

WAP symposium - 8 oktober 2010 - Universiteitstheater UvA

Spreker 1: Folkert Kuiken
Affiliatie: Universiteit van Amsterdam
Bijzonder hoogleraar Nederlands als tweede taal
Titel: (Taal)vaardigheden van leidsters in de Amsterdamse VVE

Abstract:
De Inspectie van het Onderwijs was in 2008 op een aantal punten niet tevreden over de kwaliteit van de Amsterdamse voor- en vroegschoolse educatie: expliciete doelen bij de overgang van groep 2 naar groep 3 ontbraken, het taalaanbod werd onvoldoende geacht en er was geen sprake van een duidelijke opbouw in moeilijkheidsgraad. De gemeente Amsterdam heeft daarop een offensief ingezet met de volgende actiepunten:
- het vaststellen van taaldoelen aan het begin van groep 1 en het eind van groep 2;
- toetsing van de taalvaardigheid van de leidsters met een daaraan gekoppeld scholingstraject;
- verbetering van de didactische vaardigheden van de leidsters.
In de lezing wordt verslag gedaan van deze acties en wat deze tot nu toe hebben opgeleverd.

————————————————————————————————————-
Spreker 2: Meinou de Vries
Affiliatie: Vrije Universiteit Amsterdam (postdoc)
Faculteit Psychologie en Pedagogiek; Centrum Brein en Leren
Titel: Hersenen en leren: Toepassingen voor taalonderwijs op school.

Abstract:
In de afgelopen decennia is er veel wetenschappelijke vooruitgang geboekt op het gebied van hersenen en cognitie, waardoor we steeds beter weten hoe ons brein precies functioneert. Desondanks zijn er nog maar weinig vertaalslagen gemaakt naar de praktijk. Met name de onderwijspraktijk zou baat kunnen hebben bij de verworven inzichten uit de cognitieve neurowetenschap. Het zeer jonge en snel uitbreidende onderzoeksveld “Educational Neuroscience” houdt zich hiermee bezig, en probeert een dialoog te creëren tussen de onderwijspraktijk enerzijds, en de cognitieve neurowetenschap anderzijds. Ik zal deze nieuwe benadering toelichten aan de hand van mogelijke toepassingen die specifiek gericht zijn op taalonderwijs op school.

————————————————————————————————————-
Spreker 3: Paul Leseman
Affiliatie: Universiteit Utrecht
Hoogleraar Orthopedagogiek op het gebied van leerproblemen
Titel: Taal en Rekenen. Over het belang van praten over getallen en hoeveelheden.

Abstract:
De lezing zal kort ingaan op recente inzichten in de vroege ontwikkeling van nonverbale inzichten in aantal, hoeveelheid en grootte, en het belang van het verbinden van deze vroege inzichten met taal als grondslag van de vaardigheid in rekenen en wiskunde. De kwestie zal geïllustreerd worden aan de hand van onderzoeksgegevens over de effecten van ‘rekenen-wiskunde praatjes’ in het gezin, de peuter- en kleutergroep op de ontluikende gecijferdheid.

————————————————————————————————————-

Spreker 4: Martine Gijsel
Affiliatie: Expertisecentrum Nederlands; Radboud Universiteit Nijmegen
Titel: Stimulering van taalvaardigheid van 2 tot 12 jaar: van Taallijn naar Taal100.

Abstract:
Op basis van de principes van interactief taalonderwijs is een aantal jaren geleden De Taallijn voor peuters en kleuters ontwikkeld. De Taallijn is een werkwijze om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren. Taal100, een voortzetting van de Taallijn, is een werkwijze om de taalprestaties van leerlingen in groep 3 tot en met 8 te verbeteren. Niet alleen is er een werkwijze uiteengezet voor de taaldidactiek, ook voor de implementatie van de vernieuwing is een goed onderbouwde methodiek uitgewerkt. Zo kan de taaldidactiek op een effectieve manier handen en voeten krijgen in de dagelijkse onderwijspraktijk.

Tijdens deze presentatie krijgt u inzicht in de onderbouwing en werkwijze van Taal100. Bovendien krijgt u ervaringen te horen die de scholen tijdens de pilotfase hebben opgedaan.

————————————————————————————————————-
Spreker 5: Hilde Hacquebord
Affiliatie: Expertisecentrum taal, onderwijs en communicatie (Etoc), Rijksuniversiteit Groningen
Titel: Signaleren en diagnosticeren van taal- en leesproblemen met Diataal.

Abstract:
In het onderwijs worden steeds hogere eisen gesteld aan de leesvaardigheid van leerlingen. Het ‘begrijpend lezen’ is een vaardigheid die belangrijk is bij alle vakken, en die in het algemeen samenhangt met schoolsucces. In de eerste klas van het vmbo, resp havo/vwo zijn 25%, resp. 18% van de leerlingen onvoldoende leesvaardig om hun schoolboekteksten zelfstandig te begrijpen.

Tekstbegrip is een complexe vaardigheid en er zijn grote individuele verschillen in de lees- en taalvaardigheid van leerlingen vanaf 9 jaar. Die verschillen betreffen niet alleen het niveau van de leesvaardigheid, maar er zijn ook verschillende soorten leesproblemen. Veel NT2 leerlingen zijn zwakke lezers door een onderliggend taalprobleem, met name een tekortschietende woordenschat. Bij andere leerlingen worden leesproblemen veroorzaakt door een tekortschietende tekstaanpak. Veel leerlingen hebben een taal- en een leesprobleem, en zij dreigen in een negatieve spiraal terecht te komen waardoor ook hun motivatie wordt aangetast. Een specifieke groep leerlingen zijn de dyslectici. Deze leerlingen hebben een specifieke taalzwakte, die zich uit in lees- en schrijfproblematiek.

Met Diataal (Hacquebord e.a. 2006) kunnen scholen zelf een diagnostisch onderzoek uitvoeren bij hun eigen leerlingen. Het zelf onderzoeken van de eigen leerlingpopulatie op het gebied van schoolse taalvaardigheden is een belangrijke eerste stap die scholen zetten bij het ontwikkelen van programma’s die zijn toegesneden op de eigen situatie en de eigen populatie. Met dit diagnostisch taalonderzoek willen scholen eventuele taalproblemen van leerlingen in beeld brengen en vroegtijdig hulp bieden, door middel van remedial teaching, of door het aanbieden van hulplessen voor leerlingen die dat nodig hebben. Een stap verder is dat de resultaten van Diataal worden genalayseerd met het oog op de invoering van een schoolbreed taalbeleid.

In deze bijdrage wil ik ingaan op het de achterliggende ontwerpprincipes van Diataal en de manier waarop de toetsresultaten op verschillende niveaus kunnen worden geinterpreteerd.

————————————————————————————————————-
Spreker 6: Lotte Henrichs
Affiliatie: Universiteit Utrecht (postdoc)
Titel: Schooltaal in de voor- en vroegschoolse periode. Een onderzoek naar vroegtijdig gebruik en ontwikkeling van schooltaal thuis en in de kleuterklas.

Abstract:
In formele instructiesituaties op school, komen doorgaans ingewikkelde onderwerpen aan de orde. Dit spreekt voor zich voor vakken op de middelbare school, zoals geschiedenis, aardrijkskunde en biologie, maar ook in het primair onderwijs kun je vaak spreken van cognitief complexe onderwerpen waar kinderen mee te maken krijgen. Om op een efficiënte manier over deze onderwerpen te kunnen communiceren, is het van belang dat kinderen beschikking hebben over het zogenaamde schooltaal register. Dit register wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld een specialistische en soms technische woordenschat, en complexe grammaticale structuren. De inzet van schooltaal zorgt ervoor dat de kennis die wordt overgedragen toegankelijk is voor allerlei luisteraars, rekening houdend met hun achtergrond kennis.

Maar wanneer wordt er voor het eerst van kinderen verwacht dat zij schooltaal begrijpen en gebruiken? En wanneer zien we voor het eerst (voorlopers van) schooltaal verschijnen in het taalgebruik van kinderen? Welke rol spelen volwassen bij de totstandkoming van vaardigheid in het gebruik van het schooltaalregister? Op deze vragen probeerden wij met het onderzoek waarover ik in deze presentatie zal vertellen antwoorden te vinden.

Voor het onderzoek werden 25 Nederlandse gezinnen gedurende 3 jaar gevolgd. De kinderen waren 3 jaar toen zij voor het eerst aan het onderzoek meededen, en werden bijna 6 jaar toen zij voor de laatste keer meededen. Er werden 4 keer video-opnamen gemaakt van verschillende gesprekken tussen de kinderen en hun ouders: een boekje voorlezen, praten over een tekening, samen een knikkerbaan van blokken bouwen en een spontaan gesprek tijdens het eten. Toen de kinderen naar school gingen, werden ook in groep 1 en in groep 2 gesprekken met de leerkracht bestudeerd.

De resultaten van het onderzoek wezen uit dat er al in de kleuterklas van kinderen verwacht wordt dat zij enige vaardigheid hebben met schooltaal. Ook kwam naar voren, dat niet voor alle kinderen ervaring met het schooltaal register even vanzelfsprekend is: We vonden grote variatie in de mate waarin ouders hun kind kennis lieten maken met kenmerken van het schooltaal register. De ruimte die ouders boden aan hun kinderen om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan allerlei gesprekken bleek een belangrijke voorwaarde voor het oefenen met schooltaal. Kinderen van ouders die veel kenmerken van schooltaal lieten zien, scoorden aanzienlijk hoger op een schooltaalwoordenschat test en op een test voor syntactisch bewustzijn. Dit is een sterke aanwijzing dat kinderen die al vroeg in aanraking komen met schooltaal, makkelijker de overgang naar school zullen maken omdat zij reeds bekend zijn met het soort verwachtingen dat op school aan hen gesteld wordt.

Tijdens deze lezing zullen de resultaten van het onderzoek uitgebreid worden toegelicht. Daarbij zullen implicaties voor de praktijk besproken worden.

Comments Off

---------------------------------------------------

Archives:
  • July 2010
  • June 2010
  • May 2010
  • April 2010
  • August 2009
  • March 2008
  • February 2006